We zitten net te nippen aan ons eerste drankje. Dochter en ik hebben onszelf doelbewust getrakteerd op een rustig plekje in het Zutphense restaurant. Omdat het lengtetechnisch beter uitkomt: zij op de stoel en ik op het bankje ertegenover. En dan stuiter ik opeens omhoog.

Plof. We hebben er buren bij. We zagen de bui al hangen toen een kinderstoel naast ons werd neergezet. Drie volwassenen en een kind. Het is de mannen die op het bankje neerploffen niet eens te verwijten dat ze daarbij zoveel lawaai maken en mij lanceren. Baggerbank.

Ik zie dochters ogen rollen en wenkbrauwen omhoog gaan. Dachten we een rustig avondje te hebben samen, terwijl de mannen des huizes in het Belgische Spa Max aanmoedigen, zitten we ineens naast zo’n kind te eten. Hebben we minder goede ervaringen mee. Over het algemeen komt er veel geluid uit en wekt het aangezicht geen eetlust op.

We nemen de situatie zorgvuldig vanuit onze ooghoeken op. Over onze discreet geplaatste menukaart galmt: “Mama gaat iets lekker voor jou bestellen! Luister eens even naar mama! Mama bestelt lekker drinken voor jou! We zijn in een restaurant! Wees rustig!” Ik hou niet van uitroeptekens, maar ik moet u toch duidelijk maken hoe hard wordt gepraat. De buurvrouw is aan het woord. De moeder dus. Ja, mama zelf.

“Ik neem mensen die in de derde persoon enkelvoud over zichzelf praten niet serieus,” zei dochterlief toen ze haar haren nog in twee staartjes droeg. Ik zie het haar nu opnieuw denken. “Schreeuwen dat je rustig moet zijn?” fluister ik haar achter de menukaart toe. Het jongetje wiebelt zijn beentjes rustig heen en weer. “Oepsie floepsie!” horen we naast ons. Echt? “Het is eigenlijk helemaal niet zo’n lelijk kind,” antwoordt dochterlief. “Hoe is het mogelijk, hè?!” vraag ik me hardop af, na een nieuwe blik op de ouders. Ons buurjongetje lijkt op miraculeuze wijze zijn ouders te compenseren: híj is niet lelijk, schreeuwt niet, kijkt vrolijk en is leuk gekleed. Wat een contrast. “Oepsie floepsie!” tettert zijn moeder opnieuw als hij zijn tuitbeker van tafel mikt. “Dat is lekkere appelsap! Niet gooien! We zijn in een restaurant!” Wij likken onverstoorbaar onze ellebogen verder af. “Papa en mama hebben vanavond een feestje! Daarom zien we er zo leuk uit!” We zien de vraagtekens boven ons buurjongetje. Dochterlief proest het minder discreet uit, namens ons alle drie: “Oepsie floepsie!”

Categorieën: Columns